Loader

Hoogopgeleid maar geen werk

Bijna 30 procent van de jongeren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika heeft geen baan. En hoe hoger jongeren zijn opgeleid, hoe kleiner hun kansen op werk. Een duiding van het verschijnsel graduate unemployment.

> Geschatte leestijd: 14 minuten.

Een paar jaar geleden verschenen foto’s op internet van de jonge Libanees Amir Fakih. Hij had pas zijn diploma gehaald in mediastudies, en zag weinig kansen voor zichzelf op de Libanese arbeidsmarkt. Een baantje in de bediening lag voor hem in het verschiet. Of als bloemenverkoper op straat. Ondanks het academisch diploma dat hij in zijn zak had. Om zijn situatie te laten zien, en die van duizenden anderen in Libanon, liet hij zich portretteren in zijn potentiële nieuwe werkomgevingen.

Het leverde enigszins surrealistische foto’s op: een jongen met een academische toga om zijn schouders en een baret op zijn hoofd, die op een terras de kooltjes van een waterpijp vervangt. Of op een straathoek de zakken met vuilnis weghaalt. Met respect voor de mensen die dit werk doen, vertelt Amir hoe zonde het is om in deze banen te belanden als je zoveel jaar hebt gestudeerd. Tegelijkertijd lijkt hij zich erbij neer te leggen: ‘you hit the wall of reality‘.

Is het een probleem?

De hoge jeugdwerkloosheid is een van de belangrijkste problemen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA) in deze tijd. Gemiddeld heeft bijna 30 procent van de jongeren geen baan. De jeugdwerkloosheid in de MENA-regio behoort tot de hoogste van de wereld. Opvallend hierbij is dat de werkloosheid het hoogst is bij hoogopgeleide jongeren. Hoe langer je onderwijs hebt genoten, hoe groter de kans is dat je daarna geen werk vindt.

Waarom is dit een probleem? Jongeren de kans bieden om hoger onderwijs te volgen betekent een flinke investering van de samenleving. De gedachte hierbij is dat deze jongeren, wanneer ze hun diploma op zak hebben, zelf hun bijdrage aan de samenleving kunnen leveren. Een passende plek op de arbeidsmarkt biedt hiervoor een goede gelegenheid.

Tegelijkertijd is het (hoger) onderwijs meer dan een springplank naar een baan. Onderwijs heeft ook een belangrijke taak om jonge mensen hun talenten te laten ontdekken, te leren samenwerken, en hen voor te bereiden op goed burgerschap. Om een ‘goede samenleving te cultiveren’, zoals de Amerikaanse hoogleraar Linda Herrera terecht opmerkt in haar artikel over jongeren en ondernemerschap in de MENA-regio. Jonge vrouwen in de Golfregio geven zelf aan dat ze niet zozeer hoger onderwijs volgen om er een baan mee te krijgen, maar vooral voor personal fulfilment.

Toch is het problematisch als een universitair diploma de kansen op de arbeidsmarkt alleen maar verkleint. Veel jongeren willen na hun studie aan het werk, om hun talenten te benutten en hun ambities na te streven. Het onderwijs moet hierin een belangrijke rol kunnen spelen. Maar in de Arab Youth Survey 2017 zegt bijna de helft van de ondervraagde jongeren dat het onderwijs hen onvoldoende voorbereidt op de banen van de toekomst. Hier is dus werk aan de winkel.

Harde cijfers

Hoe groot is precies het probleem? In rapporten en beleidsstukken worden veel cijfers gebruikt, en soms ook door elkaar gehaald. Om goede vergelijkingen te kunnen maken tussen verschillende landen in de MENA-regio moeten we in ieder geval twee statistieken van elkaar onderscheiden: het deel van de hoogopgeleide jongeren dat werkloos is, en het deel van de werkloze populatie dat hoogopgeleid is (graduate unemployment). Overigens zijn beide cijfers hoog in de MENA-regio, ook als we deze vergelijken met cijfers in Nederland en de Europese Unie.

Zo kent Egypte, het MENA-land met de meeste inwoners, al jaren de trend dat het werkloosheidspercentage onder jongeren stijgt naarmate het opleidingsniveau toeneemt. Cijfers van de International Labour Organization (ILO) laten zien dat maar liefst 34 procent van de jongeren met een universitair diploma geen baan heeft. Onder jongeren die nog geen basisonderwijs hebben afgemaakt, is de werkloosheid slechts 2 procent.

Ter vergelijking: in Nederland daalt het werkloosheidscijfer onder jongeren naarmate het opleidingsniveau toeneemt. Dezelfde trend zien we in de Europese Unie: in 27 van de 28 lidstaten is de jeugdwerkloosheid het hoogst bij jongeren met alleen basisonderwijs of lager voortgezet onderwijs, en het laagst bij jongeren die hoger onderwijs hebben gevolgd.

Ook de cijfers over graduate unemployment laten een zorgelijk beeld zien in de MENA-regio. Uit een lijvig rapport van de Wereldbank en de Agence Française de Développement (AFD) blijkt dat ruim 20 procent van de werkloze Tunesiërs een universitair diploma op zak heeft. In Marokko is dit bijna 18 procent, in Jordanië ruim 15 procent en in Egypte bijna 25 procent. Wederom ter vergelijking: in de Europese Unie heeft slechts 3,5 procent van de volwassenen zonder baan een opleiding in het hoger onderwijs afgerond.

Meer en meer studenten

Om een goed beeld te krijgen van het probleem is ook een aantal andere statistieken van belang. Zo is de groei van het aantal studenten in het hoger onderwijs een factor van betekenis. In een mooi artikel over de situatie van Egyptische jongeren schetst Adel Abdel Ghafar van het Brookings Doha Center de historische ontwikkeling in Egypte, waar al vanaf de jaren vijftig meer en meer jongeren aan de universiteit studeren.

Ook in andere delen van de MENA-regio zien we deze groei. In Marokko steeg het aantal studenten op staatsuniversiteiten van ruim 300.000 in 2009 tot 822.000 in 2017. In de hele regio is in de afgelopen tien à vijftien jaar het aantal universiteiten verdubbeld, van 178 naar 398. Tussen 1995 en 2009 is het aantal inschrijvingen in het hoger onderwijs verdrievoudigd. Gemiddeld heeft in Egypte, Jordanië, Libanon, Palestina en Tunesië bijna één op de vier jongeren een diploma in het hoger onderwijs, blijkt uit cijfers van de ILO.

Een blik op de toekomst leert dat de stijging van het aantal hoogopgeleide jongeren waarschijnlijk niet snel zal afnemen. De bevolking in de MENA-regio blijft in de komende decennia groeien. Daarbij groeit ook het aantal jongeren dat naar het voortgezet onderwijs gaat én dit met succes afrondt; een groot deel van deze groeiende groep zal zich dus ook melden aan de poorten van de universiteit.

Substantiële budgetten

Een laatste relevante statistiek: overheden in de MENA-regio besteden substantiële budgetten aan het onderwijs in hun landen. In Marokko wordt ruim een kwart van het staatsbudget besteed aan onderwijs. Specifiek voor het hoger onderwijs besteden sommige MENA-landen relatief meer geld dan het gemiddelde in de OESO-landen van 1,4 procent van het bruto nationaal product (bnp). De Tunesische overheid besteedt 1,6 procent van het bnp aan hoger onderwijs, in Algerije is dit zelfs 2,6 procent. Er wordt dus wel geïnvesteerd in het hoger onderwijs, maar ‘the resources spent have not resulted in the economic or social benefits expected‘ (rapport Wereldbank/AFD).

Mismatch

Het beeld is duidelijk: een flink groeiende groep jongeren met een universitair diploma op zak en met weinig kansen op een baan. Zelfs met minder kans op een baan dan jongeren die geen of een lagere opleiding hebben gevolgd. Onderzoekers van de Wereldbank en het AFD vatten het treffend samen in hun rapport: ‘Young entrants to the labor market are more educated than ever before, but are unable to capitalize on the time and resources invested in their education‘. Het Brookings Center for Middle East Policy legt de verantwoordelijkheid hiervoor vooral bij overheden in de regio: ‘Governments have “educated” a growing cohort of students without ensuring that they have the skills needed to succeed and without laying the economic groundwork to employ them.

In de vele analyses van de achtergrond en oorzaken van dit probleem komt één term vaak naar voren: mismatch. Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt sluiten niet op elkaar aan. Deze mismatch is zowel kwantitatief als kwalitatief van aard.

60 miljoen banen

De kwantitatieve mismatch is snel zichtbaar. In de afgelopen decennia zijn steeds meer jongeren met een universitaire diploma op de arbeidsmarkt gekomen. De publieke sector, van oudsher de grootste en belangrijkste werkgever in de meeste MENA-landen, kan die rol steeds minder goed spelen, wellicht met uitzondering van een paar rijke oliestaten. De publieke sector krimpt, deels door beleidspakketten die zijn geïnspireerd op – of opgelegd door – internationale instituties als de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Tegelijkertijd groeit de private sector onvoldoende om genoeg banen te creëren voor die grote aantallen jonge mensen die de arbeidsmarkt betreden en niet terechtkunnen bij de overheid.

Er zijn dus niet genoeg banen voor de grote groep nieuwkomers op de arbeidsmarkt. In het Arab Human Development Report 2016 werd becijferd dat in de komende jaren minimaal 60 miljoen nieuwe banen moeten worden gecreëerd om iedereen aan het werk te krijgen. Dat lijkt een onmogelijke opgave.

Maar waarom hebben dan vooral hoogopgeleide jongeren moeite om een baan te vinden? Dit heeft voor een belangrijk deel te maken met de kwalitatieve mismatch.

Onder het gemiddelde

Het gaat hier vooral over de kwaliteit van het (hoger) onderwijs in de MENA-regio. Internationale onderwijsvergelijkingen en ranglijsten geven een eerste indruk. In de driejaarlijkse internationale PISA-vergelijking (Programme for International Student Assessment) scoren de deelnemende MENA-landen bijna allemaal flink onder het wereldwijde gemiddelde, schrijft het Arab Human Development Report. In de internationale vergelijking Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS) scoren de deelnemende Arabische landen sinds 2003 consistent onder het mondiale gemiddelde.

In de Times Higher Education World University Ranking 2018 – een ranglijst van de beste 1.000 universiteiten ter wereld – vinden we de eerste universiteit uit de MENA-regio pas terug tussen de 200e en de 250e plek – de King Abdulaziz University in Saoedi-Arabië. Slechts vier MENA-universiteiten bevinden zich in de bovenste helft van deze top-1000.

Gekwalificeerde docenten

De kwaliteit van het hoger onderwijs in de MENA-regio staat onder druk, en voor een deel heeft dat te maken met het groeiende aantal studenten. Door de enorme toestroom worden steeds meer studenten onderwezen door steeds minder docenten en professoren. In veel landen kost het moeite om goed gekwalificeerd onderwijspersoneel te vinden, met name door lage salarissen en de beperkingen die er worden opgelegd om vrij onderzoek te doen.

Geen soft skills

In analyses van het (hoger) onderwijs in de MENA-regio wordt vaak het ‘karakter’ van het onderwijs als belangrijke factor genoemd. Het Brookings Center for Middle East Policy concludeert dat in het middelbaar onderwijs de nadruk nog steeds ligt op ‘traditional rote memorization methods, rather than critical thinking techniques‘. Jongeren worden niet goed voorbereid op de onderzoekende en kritische manier van leren die in het hoger onderwijs nodig is. Of nodig zou moeten zijn, want ook daar ligt vaak de nadruk op op ‘rote-learning and high-stakes exams‘, ziet onderzoeker Martin Rose in Marokko.

Het gevolg hiervan is dat veel jongeren met een universitair diploma vooral de zogeheten ‘soft skills’ onvoldoende beheersen: problemen oplossen, effectief communiceren, in teams werken, presenteren, rapporten schrijven, leiderschap en creativiteit. Werkgevers in de private sector geven aan dit te missen bij nieuwe, jonge werknemers, evenals de benodigde technische kennis en vaardigheden.

Helaas wordt er in de hele regio weinig geïnvesteerd in on-the-job training om medewerkers goed geschoold te krijgen. Ook zijn stages en leerwerktrajecten in de MENA-regio veel minder gebruikelijk dan in andere delen van de wereld. Het is hierdoor moeilijk voor jongeren om de benodigde ervaringen elders op te doen voordat ze daadwerkelijk aan het werk gaan. Het gevolg is dat sommige bedrijven voor hogere posities in het buitenland op zoek gaan naar geschikte medewerkers. Marokkaanse bedrijven werven management trainees direct uit de ongeveer 50.000 Marokkaanse jongeren die in het buitenland studeren, met name in Frankrijk. Banenmarkten worden speciaal met dit doel in Parijs georganiseerd.

Ondergekwalificeerd

De mismatch tussen wat werkgevers vragen en het onderwijs biedt, is terug te zien in de statistieken over overkwalificatie en onderkwalificatie. In artikelen en rapporten wordt soms geschreven dat veel jonge mensen die wel een baan vinden onder hun niveau werken. Dat lijkt logisch, gezien het grote aantal hoogopgeleiden onder de werkloze jongeren. Maar wanneer we goed kijken, blijkt dit genuanceerder. Cijfers van de ILO laten zien dat in de private sector bij de administratieve functies inderdaad bijna de helft van de jonge werkenden overgekwalificeerd is (45 procent). Een verklaring hiervoor kan zijn dat veel jongeren die geen baan kunnen vinden in de publieke sector hun heil zoeken in administratieve functies in de private sector.

Maar wanneer we naar alle sectoren in de private sector bij elkaar kijken, zien we dat slechts 11 procent van de jongeren onder hun niveau werkt en ruim 43 procent juist onvoldoende is gekwalificeerd voor de baan die ze hebben. Dit zegt iets over de mismatch. Jongeren worden in het hoger onderwijs vooral opgeleid voor een baan bij de overheid, maar omdat daar onvoldoende banen beschikbaar zijn, wijken ze uit naar de private sector. Voor die banen blijken pas afgestudeerden echter vaak onvoldoende gekwalificeerd.

Connecties

Dit kan ook te maken hebben met de studiekeuze. De meerderheid van de hoogopgeleide jongeren in de MENA-regio is afgestudeerd in sociale wetenschappen, business of rechten (ruim 30 procent) en in geesteswetenschappen en kunst (ruim 23 procent). Deze opleidingen bereiden jongeren in algemene zin goed voor op een baan bij de overheid. In de private sector worden andere diploma’s gevraagd, bijvoorbeeld in de technische wetenschappen. Maar op dit moment heeft slechts 9 procent van de hoogopgeleide jongeren een technische studie gevolgd.

Kanttekening bij dit hele verhaal is dat zelfs de juiste diploma’s en vaardigheden niet altijd een garantie vormen voor een passende baan. In veel MENA-landen zijn de juiste connecties (wasta) vaak doorslaggevend.

Kort en goed samengevat: ‘educational systems including secondary schooling, technical vocational education and training (TVET) and universities are not adequately preparing students for the current labour market. Instead, they continue to be geared toward preparing students to serve in the public sector […] Increased privatization, globalization and new technologies […] have brought on the demand for certain labour market skills in the region, many of which are not taught in existing public education systems across the region.‘ (‘Background paper Youth employment in the Middle East and North Africa‘).

Informatie

Wat is nu het begin van een oplossing? Een eerste stap kan zijn om de mismatch tussen (hoogopgeleide) baanzoekenden en beschikbare banen goed in kaart te brengen. Wat zijn de baanperspectieven van verschillende opleidingen? Aan welke kennis, vaardigheden en ervaring is vooral behoefte, in de publieke én de private sector? Welke vacatures zijn er op dit moment? Het vinden van werk gebeurt vooral via sociale media en de juiste contacten. Maar jongeren willen geholpen worden bij het maken van keuzes over opleiding, schoolloopbaan en de eerste stappen op de arbeidsmarkt. Voor Amir Fakih, de Libanees die zich in zijn toga liet fotograferen, was meer informatie over de Libanese arbeidsmarkt waardevol geweest.

Het Brookings Center for Middle East Policy pleit daarom voor het periodiek verzamelen en publiceren van informatie over de werkgelegenheid per opleidingsniveau. Belangrijk daarbij is dat de informatie in een aantrekkelijke vorm beschikbaar wordt gesteld, en de mensen bereikt die de informatie nodig hebben. Ervaringen van het Civil Service Bureau in Jordanië laten zien dat alleen rapporten schrijven niet voldoende is: veel Jordaanse jongeren weten niet dat de informatie beschikbaar is en lezen de rapporten niet.

Meer banen, minder studenten

Om de kwantitatieve mismatch (veel hoogopgeleide jongeren en weinig beschikbare banen) tegen te gaan, zijn er grofweg twee opties: meer banen creëren of minder jongeren opleiden in het hoger onderwijs. Beide zijn natuurlijk geen quick fix. Meer banen creëren in de MENA-landen is een immense opgave, met ingewikkelde vraagstukken. Moeten die banen vooral in de publieke sector worden gecreëerd, of kan het bedrijfsleven hieraan een belangrijke bijdrage leveren? Grote internationale bedrijven, of juist het mkb? En is het nog wel realistisch om iedereen aan een baan te willen helpen als digitalisering en robotisering de aard en beschikbaarheid van werk ingrijpend veranderen?

Minder jongeren opleiden in het hoger onderwijs zou een flinke trendbreuk zijn met de ontwikkelingen van de afgelopen decennia in de regio. Overheden hebben juist geïnvesteerd in een grotere toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Menselijk kapitaal vormt de kern van hun groeistrategieën, schrijft ook de ILO: ‘Countries in the MENA region hold firmly to the belief that access to education for all children and youth represents an investment in future growth and stability.

Beter hoger onderwijs

Dan de kwalitatieve mismatch: jongeren komen met de kennis en vaardigheden die ze in het onderwijs hebben opgedaan moeilijk aan een baan, en bedrijven kunnen geen geschikte personen vinden voor hun vacatures en zoeken hun heil bij jonge werkzoekenden in bijvoorbeeld Europa. Een oplossingsrichting kan zijn dat bedrijven meer mogelijkheden aanbieden voor scholing op de werkvloer, en voor stageplekken en leerwerktrajecten voor jongeren die in de laatste fase van hun opleiding zitten.

Daarnaast is het belangrijk om de kwaliteit van het (hoger) onderwijs in de MENA-landen te verhogen. Dat kan op verschillende manieren. Investeren in de kwaliteit van docenten en lerarenopleidingen is één ding, waarbij het ook belangrijk is om het aantrekkelijker te maken voor jonge mensen om het vak van docent te kiezen. Lage salarissen en een negatief prestige maken dat vak nu niet aantrekkelijk. Ook de onderwijscurricula moeten worden vernieuwd, er moet meer samenwerking komen met de private sector, en in het hoger onderwijs moet een cultuur groeien van evaluatie, onafhankelijke accreditatie en specialisatie. Het Brookings Center for Middle East Policy legt goed uit waar de kansen voor kwaliteitsverbetering liggen in het hoger onderwijs in de MENA-regio, en wat hiervoor nodig is.

Financiering van het onderwijs

Bij die randvoorwaarden speelt financiering een grote rol. De publieke financiering van universiteiten is in veel MENA-landen vooral gebaseerd op aantallen inschrijvingen, en niet op resultaten of kwaliteitsstandaarden. Universiteiten worden zo degree factories, schrijft Adel Abdel Ghafar, in plaats van onderzoeksinstituten die mondiaal meetellen. Andere financieringsmechanismen kunnen een goede eerste stap zijn.

Sommige landen in de MENA zoeken andere bronnen van financiering voor het hoger onderwijs, bijvoorbeeld door de private sector een grotere rol te geven in het onderwijs. Zo worden in Saoedi-Arabië publieke scholen overgedragen aan private partijen. Het rapport van de Wereldbank en de AFD gaat uitgebreid in op de mogelijkheden, kansen én risico’s van meer privaat hoger onderwijs in de MENA-regio.

Andere landen experimenteren met het invoeren van collegegeld. In veel MENA-landen is het hoger onderwijs (bijna) gratis. Zo heeft de Marokkaanse overheid het voorstel gedaan om vanaf een bepaald inkomen een financiële bijdrage te vragen voor voortgezet en universitair onderwijs. Dit heeft geleid tot interessante discussies over het ‘recht op gratis onderwijs’. Hierbij speelt een rol dat het in veel MENA-landen moeilijk is om bij een bank geld te lenen voor een studie, juist omdat een studie zo weinig baangaranties geeft. Er zijn wel initiatieven in verschillende landen in de regio die de mogelijkheden vergroten om een lening af te sluiten voor een studie.

Meer autonomie

Een tweede randvoorwaarde voor een hogere kwaliteit van het hoger onderwijs is meer autonomie voor onderwijsinstellingen. Veel instellingen in het hoger onderwijs worden bestuurd als verlengde van de staat. Er bestaat nauwelijks beleid of wetgeving die autonomie en transparantie in het hoger onderwijs mogelijk maken. In de meeste landen in de regio worden bestuursvoorzitters en decanen niet gekozen maar benoemd door de staat. Daarbij hoeven de meeste bestuurders geen rekenschap af te leggen over hun bestuur, aan studenten, medewerkers of de samenleving. Het Brookings Center for Middle East Policy pleit daarom voor een democratisering van het bestuur in het hoger onderwijs.

Beroepsonderwijs

Een laatste oplossingsrichting ligt in het beroepsonderwijs. Door beperkte kwaliteit en een slecht imago kiezen weinig jongeren in de MENA-regio voor een beroepsopleiding. ‘In many countries vocational schools are dysfunctional and considered dumping grounds for students that no one else wants‘, schrijft het Brookings Center. Het bestrijden van de hoge werkloosheid onder hoogopgeleide jongeren betekent dus ook investeren in de kwaliteit en organisatie van het beroepsonderwijs, bij voorkeur in samenwerking met met partners in het bedrijfsleven. En gerichte publiekscampagnes om het beroepsonderwijs aantrekkelijker te maken: ‘The government should fight the perception that a university education is the only avenue for social mobility and job security.‘ (Ghafar)

Enorm potentieel

Het Arab Human Development Report 2016 beschreef het kort en krachtig: ‘Today’s generation of young people is more educated, active and connected to the outside world, and hence have a greater awareness of their realities and higher aspirations for a better future.‘ 200 miljoen jongeren, van wie miljoenen met een diploma in het hoger onderwijs, vormen een enorm potentieel, die dat graag zelf willen benutten. Deze jongeren de mogelijkheid bieden om hun diploma te verzilveren met een passende baan, is een goed begin.